Achter het concertgebouw

Naar het concert

In de weilanden van Amsterdam Zuid bouwden dappere Amsterdammers aan het eind van de 19e eeuw hun concertgebouw. Iedereen verklaarde hen voor gek. De bezoekers zouden door plattelandsweggetjes moeten komen en wie wilde nou de polder in om cultuur te snuiven? Het bleek dat men met voortvarendheid en toekomstvisie gehandeld had want het Concertgebouw bleek te staan op de juiste plek. Later werd het door deftige huizen omring. De componisten uit de lage landen gaven de straten hun namen. Zo ook Jacob Obrecht aan wiens straat een reusachtige kerk verrees voor de vrome katholieken van de buurt. Nu parkeren veel concertgangers er hun auto’s nog zolang dat lukt maar ze gaan de kerk voorbij.

Het begin

In 1880 gaf bisschop Bottemanne, ook bouwheer van de Haarlemse kathedraal, opdracht een stuk aan de westgrens van het grondgebied van de grote Willibrord aan de Amsteldijk (inmiddels verdwenen) te reserveren voor de bouw van een nieuwe parochiekerk. Men kocht daar een flink persceel gronds voor 42000 gulden (!). In 1903 werd met de bouw van een hulpkerk begonnen die in 1904 gereed kwam. Voor de bouw van de definitieve kerk koos men voor de architecten Joseph Cuypers (1861-1949) en Jan Stuyt (1868-1934) die in de jaren 1900-1908 geassocieerd waren en ook als duo de Haarlemse kathedraal bouwden. De stijl van de jonge Cuypers (vader Pierre was bouwheer van rijksmuseum, Vondelkerk, de oude grote Willibrord, de Posthoorn, het centraal Station enz. enz.) vormde een overgang tussen de klassieke neogotiek en de nieuwere bouwstijlen (art deco etc.).

De Obrecht

De kerk aan de Obrechtstraat (officieel O.L.V. van de Rozenkrans maar door iedereen als ‘de Obrecht’ aangeduid) is ontworpen in een Neo-byzantijnse en Romaanse stijl. Het front met de karakteristieke torens aan de straatkant (de oostkant) en het koor met vieringtoren aan de westkant in de bestaande bebouwing verscholen. De kerk (tussen 1908 en 1911 gebouwd) is de moeite waard. Wat architectonische vormgeving en detaillering betreft en versiering. Sommige elementen van die opsmuk sluiten nauwkeurig aan bij de bouwstijl van de kerk, andere hangen samen met de voorkeur van de pastoors of de milde gevers. Tot de eerste categorie behoort met majestueuze Christusmozaïek in de halfkoepel boven het priesterkoor. Beneden staat het ‘ciborium’ een soort tempetje met vier zuilen boven het hoofdaltaar. De bouwmeesters hadden deze versiering voorzien in hun ontwerp. De ramen achter het altaar zijn ook uit de bouwtijd uit het atelier van Mengelberg, een naam die in de concertgebouwomgeving een bekende klank heeft. Een houten kruisbeeld uit 1400 hangt achter het hoofdaltaar en een barok voorhangsel hang voor de altaartafel. Een zeer levendig beschilderde zoldering overdekt het geheel. Gelukkig konden degenen die de plafonds van de zijbeuken hebben overgesausd (een klein stukje is in het eerste vak rechts gereconstrueerd) daar niet bij.

De inventaris

De communiebanken beelden psalm 42 uit (zoals een hert dat naar de bronnen smacht) en zijn door een vriend van architect Berlage gemaakt (die overigens ‘niet van het houtje’ was). Een andere niet katholiek John Raedeker (de maker van het monument op de dam) maakte de panelen van de preekstoel. De zijaltaren zijn weer door brave katholieken gemaakt: Mari Andriessen die het Maria-altaar maakte. Later zou hij beroemder worden door het beeld van de dokwerker. De veel onbekendere W. van de Winkel maakte het St. Josefbeeld aan de andere kant. Muurschilderingen zijn er vele. Van Piet Worm, bekend van de kinderboeken, zijn schilderingen in de doopkapel aanwezig. Belangrijker nog is het werk van Matthieu Wiegman (1881-1971). Pastoor Hoosemans die de kerk waar hij voor was aangesteld helemaal niet zo mooi vond wilde die opfleuren. Hij was onder de indruk van het werk van Wiegman dat toen in het Stedelijk museum was tentoongesteld. Hij zette hem meteen aan het werk. De ontwerpen van een Mariaschildering in de vieringtoren moesten wat gecorrigeerd worden. De Haarlemse kunstcommissie vond het te bloot. Een nieuwe Maria die wat minder boezem toonde siert sindsdien de galerij in de viering. Wiegman maakte ook schilderingen van de bruiloft van Kana en de broodvermenigvuldiging en de transeptramen en het roosvenster in de voorgevel met de Verrezen Christus. Pastoor Hoosemans kreeg later nog een keer ruzie met Haarlem. Nu over een Christusbeeld van Ernst Verhoeve. De Heer glimlachte en dat vond men ongepast. Het kruis belandde op zolder. Nico Witteman maakte een ander kruis maar een ware soapserie is te maken van de ruzies die toen ontstonden. Interessant is ook dat de eerder genoemde pastoor ook contacten had met moeder Hildegarda Michaelis die de weefkunst in Egypte leerde en in 1935 de monastieke communiteit van Lioba in Egmond stichtte. Van haar hand is o.a. een wandkleed in grijze tonen achter het hoofdaltaar. Nadat ik de Vlaamse schilder Albert Servaes nog genoemd heb, die de Maria kapel beschilderde moet ik haastig vertellen dat men ook in onze tijd nog bezig is de kerk te verfraaien. Zeer geslaagd is de schildering van René van Tol van de aankondiging van Christus’ geboorte door een zeer luchtig zwevende engel in het linkertransept, in 2004 feestelijk onthuld. Wat de Haarlemse kunstcommissie er van vond is mij niet bekend. Zo hebben vele generaties, inclusief de huidige, zich ingezet om dit bedehuis op te luisteren. Het grote Vermeulen orgel levert zijn eigen bijdrage.

Gebruik is o.a. gemaakt van het boekje uit van Hanneke Franken: Kunst in de Obrecht met zeer veel illustraties van vrijwel alle kunstwerken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.