Mijnbouw, wijnbouw en cultuur: Rolduc

Een opmerkelijke ligging

Wat niet iedereen (eigenlijk niemand) weet is dat de steenkoolontginning in Nederland in de Middeleeuwen door monniken begonnen is. In het land van Rode, tussen Kerkrade en het ‘castrum Rodense’, de oude burcht van Rode (het huidige Herzogenrath), werd in het begin van de twaalfde eeuw het kloostercomplex gesticht dat sinds de zeventiende eeuw bekend staat als ‘de abdij van Rolduc’. Die naam is heel deftig, want ze betekent: ‘Rode-le-Duc’ (Rode van de Hertog). Tot die tijd was de naam Kloosterrade in gebruik. De kerk en de abdijgebouwen liggen bovenop de zuidwesthelling van het Wormdal, met enkele visvijvers in een klein zijdal aan de voorzijde. Het geheel bevindt zich aan de grens met Duitsland (daar ligt Herzogenrath, van waaruit de wereldse heersers alles in de gaten hielden). In deze omgeving begon men in de late Middeleeuwen aan de steenkoolontginning. Die was nog een tamelijk kleinschalig gebeuren en werd gecombineerd met wijnbouw. Later zou in de omgeving vooral de mijnbouw wat grootser worden aangepakt en met name voor het gebied van Heerlen en het nabijgelegen Kerkrade had dat grote gevolgen.

De abdij

De stichter van de abdij was Ailbertus, een monnik afkomstig uit Antoing bij Doornik. Hij begon in 1104 met het bouwen van een houten kapel. In 1106 werd die vervangen door een in steen overwelfd koor. Dat mocht er ook niet lang staan, want het werd al spoedig afgebroken om plaats te maken voor een crypte met een klaverbladvormige aanleg, die later zo karakteristiek voor Rolduc zou blijken. In 1108 werd die door bisschop Otbertus van Luik gewijd. De patroonheiligen waren Maria en de aartsengel Gabriël die bij haar op bezoek geweest was. Intussen waren er problemen ontstaan tussen Ailbertus en zijn geldschieter Embrico. Ailbertus wilde het geld aan de armen besteden, maar Embrico had bouwplannen voor een dubbelklooster. De vrome Ailbertus week uit naar Clairefontaine en trok zich daar in 1111 in een kluis terug. Toen hij in 1122 Rode nog eens wilde bezoeken stierf hij heel in het begin van die tocht. Hij had graag in Rode begraven willen worden, maar die wens ging pas eind negentiende eeuw in vervulling toen Pierre Cuypers een mooie tombe voor hem maakte.

Na het heengaan van Ailbertus werd Rode een klooster van reguliere kannuniken die de regel van Augustinus poogden te volgen. De wereldlijke betekenis van de abdij nam toe en aangezien de abdij ging gelden als het centrum van het Hertogdom Luxemburg lieten alle hertogen van dat landje zich hier begraven. Men treft in het middenschip nog een zeventiende-eeuwse kopie aan van de dertiende-eeuwse grafzerk van Hertog Walram III (gest. 1227). De oorspronkelijke zerk stond op zuiltjes op de grond.

Geestelijk en wereldlijk verval

Het ging de abdij echter niet echt voor de wind. In de veertiende en vijftiende eeuw was er een terugval, zowel op geestelijk als op economisch gebied. De kloostertucht werd ook niet meer goed nageleefd en de gebouwen werden verwaarloosd. Pas in de zestiende eeuw bracht abt Leonard Dammerscheidt (1522-1557) wat verbetering in de geestelijke en ook bouwkundige situatie van het complex. De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) was voor het kloostercomplex niet gezond. Toch wist Kloosterrade die woelige periode redelijk te doorstaan. De steenkoolwinning was weer op gang gekomen en de Hollandse Staten-Generaal lonkten naar deze inkomstenbron. Zonder succes: in 1661 werd de abdij toegewezen aan de Spaanse koning. In de achttiende eeuw werden de inkomsten voor allerlei bouwactiviteiten gebruikt. Maar nog in diezelfde eeuw, in 1796, marcheerden de Franse revolutionaire troepen de regio binnen. De monniken moesten een haastig heenkomen zoeken en in 1797 werd de boel verkocht. Na verschillende tussenfasen werd het voormalige abdijcomplex in kleinseminarie van het bisdom Luik van 1843-1846 en daarna van het apostolische vicariaat Limburg, het latere bisdom Roermond. Het was een internaat met een Gymnasium maar huisveste ook de eerste rooms-katholieke H.B.S. voor brave jongetjes. Het halve katholieke intellectuele Nederland heeft tot 1946 hier gestudeerd.

De bouwgeschiedenis nader bekeken

Zelden is er van een kerkelijk bouwproject zo veel te vinden als hier. We doelen op de oude Annales Rodenses waarin veel zaken vermeld staan. De oude crypte (begonnen in 1106 en verlengd in 1130) is zeer markant.

In 1143 begon men in Rolduc met de oostelijke traveeën van de kerk en aan het einde van de twaalfde eeuw kwam de meest westelijke travee tot stand. Het indrukwekkende schip van de kerk is (we citeren de “Annales Rodenses”) opgetrokken volgens het ‘scemate longobardino’. Het schip wordt doorsneden door meerdere dwarsbeuken, ‘pseudotransepten’ geheten (zie de doorsnedetekening). Daardoor maakt de kerk een ruime indruk. De kerk heeft dat gemeen heeft met de voormalige Mariakerk te Utrecht (1138) en de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek te Maastricht (omstreeks 1150). Hun bouwmeesters waren geïnspireerd door die van de S. Maria Maggiore in Pavia. Voor 1550 vond er een ingrijpende verbouwing plaats. Het romaanse koor werd afgebroken en moest plaats maken voor een vijfzijdig gesloten gotisch koor. De kerk had in 1690 te lijden van een aardbeving. In de achttiende eeuw werd de kostelijke bibliotheek aangelegd in Rococostijl.

De restauratie

De huidige kerk staat er bij zoals hij er nu staat dankzij de grootse restauratie van Pierre Cuypers tussen 1853 en 1900. Op grond van aangetroffen bouwsporen heeft men getracht de romaanse toestand te reconstrueren. Het laatgotische koor werd gesloopt en door een romaanse koorpartij vervangen. Ook de topgevels aan de buitenkant werden in romaanse stijl gereconstrueerd. Een neo-gotische koorpartij boven de crypte werd gesloopt en een koor dat precies op de crypte paste werd gereconstrueerd. In 1892 werd een laat-gotische schildering van een Madonna aangetroffen in de zuidelijke transeptwand. In 1895 bouwde Cuypers zelfs een hele neo-romaanse gang die aan de oude kloostergang moest herinneren. Interessante kapitelen die elders waren aangetroffen staan daar opgesteld. Het geheel is heel indrukwekkend. Dat geldt ook voor de door zoon Cuypers herstelde westgevel. In 1931-1933 werd de westbouw met de toren met de grappige barokke spits door de zoon van Pierre, Jos Th.J. Cuypers, onder handen genomen; dat was wel nodig ook! De mijnbouw had flinke verzakkingen veroorzaakt.

Nog even de crypte in

De crypte (1106 begonnen, rond 1224 uitgebreid) is geheel overkluisd door graatgewelven. Kostelijke oude kapitelen sierden sinds 1120 die sfeervolle ondergrondse ruimte. Maar ook in de basementen van het schip treft men grappige mannetjes aan die in bladerenwerk verstrikt zijn en allerlei beesten. Niemand weet precies wat ze voorstellen; waarschijnlijk is het gewoon ‘Spielerei’ van de beeldhouwer. Boeiend zijn de zeer oude schroefvormige zuilen die de tombe van Ailbertus omringen. Ze hebben basementen in de vorm van leeuwen en draken. De tombe zelf is door Cuypers gebouwd en bevat de relieken van de stichter. DNA-onderzoek leverde helaas op dat het gebeente waarschijnlijk van kinderen uit de zeventiende eeuw is. Aan de noord- en zuidzijde staan dunnere zuilenparen uit de bouwtijd (1106). Vermeld moet worden dat de koorapsis van de zuidelijke helft van het oostelijk deel van de crypte door Cuypers geheel nieuw is opgetrokken.

Multifunctioneel

De huidige bestemming kan als multifunctioneel worden omschreven. In 1974 werd Rolduc grootseminarie en dienden de overige gebouwen als ontmoetings- en vormingscentrum voor verschillende groepen. In de in 1849 gebouwde vleugel rechts van de kerk bevond zich van 1978-2010 het mijnmuseum. In de vleugel links van de kerk, gebouwd in de jaren 1671-1676 en oorspronkelijk als abts- en gastenkwartier bestemd, bevindt zich nu een hotel.

Heel multifunctioneel kunnen we ook het gebruik van het Abdijcomplex noemen in de TV-serie ‘Flikken Maastricht’ (6e serie, laatste aflevering). Daarin wordt een NATO-conferentie in de abdij gesitueerd, waarbij een Amerikaanse topgeneraal net niet wordt doodgeschoten door een dolgedraaide marinier die van de argeloze abt asiel had gekregen in de toren. Niemand wist dat hij daar zat. Als hij vanuit de galmgaten wil schieten wordt hij, net op tijd, door de helden uit Maastricht ontdekt en uitgeschakeld.

De totale geschiedenis vindt men in het leuke boek 900 Jaar Rolduc, met tekeningen van Jan Creusen, uitgeverij Mosae Venlo.

Zie voor de exacte bouwgeschiedenis de serie Zodiaque Pays Bas Romans; de Nederlandse editie van Architecture & Natura van Ada van Deijk: Romaans Nederland blz. 53 e.v.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.