Puur Romaans?

Om te proberen de omstreeks 500 voor Christus op gang gekomen volksverhuizing te stoppen maakte Julius Caesar (100-44 v. Chr.) met geweld een einde aan de onderlinge stammenstrijd in Gallië en onderwierp de regio aan Rome. De bevolking kon weer groeien en dat duurde tot rond 270. Het noordelijk deel van Gallië, waartoe ook het huidige Limburg behoorde, heette ‘Gallia Belgica’ en had eerst Reims en later Trier als hoofdstad. De provincie was onderverdeeld in ‘civitates’, bestuursgebieden. De streek rond Klimmen hoorde hoofdzakelijk onder de ‘civitas Tungrorum’ (de streek van Tongeren). Goede wegen werden aangelegd en ook in het achterland werden versterkingen aangelegd. Maar de Germaanse stammen kwamen weer oprukken en rond 270 werd Maastricht verwoest. Keizer Constantijn herstelde de orde enigszins. Men vermoedt dat de eerste nieuwe belangrijke weg van Maastricht naar Heerlen vanaf Valkenburg liep en dan over de Goudsberg naar Walem. Bij Klimmen zijn bij de kerkrestauratie Romeinse resten gevonden; een oude plaats dus hier; daarvan getuigen de Romeinse gebakken tegels die tussen de Kunrader blokken in de vensterbogen van de middenbeuk van de huidige kerk zijn aangebracht.

Het christendom

Het christendom begon in de steden wortel te schieten en breidde zich zo uit naar het platteland. In de eindfase van het Romeinse rijk speelde Remigius een belangrijke rol. Hij leefde van 440 tot 525. Gerberga, dochter van koning Hendrik I (1008-1060), had een bijzondere verering voor hem. In de loop van de 11e eeuw werd hij als patroon van het koninkrijk vereerd. Door schenkingen was Gerberga in bezit gekomen van de regio rond Meerssen. De abdij van Meerssen bediende meerdere kapellen. Klimmen was rond 1136 al een eigen parochie. Wel moest ook cijns worden betaald aan Reims.

De kerk

In Klimmen troffen de monniken van Meerssen al een ruïne aan van een kerkje. Dit kerkje (nog zonder toren) was een ‘coproductie’ van Meerssen en Reims. De eerste schriftelijke bevestiging van het bestaan van het kerkje vinden we in 1145 in de voet van de doopvont van Naamse hardsteen. Houten kerken zijn vaak aan de stenen kerken voorafgegaan. Pierre Cuypers vermoedde dat de stenen kerk van Klimmen dateert uit de elfde eeuw en oorspronkelijk had bestaan uit een vlak gedekt, vier traveeën diep middenschip met twee zijbeuken en een halfrond gesloten priesterkoor. Zo ontstond in de elfde of begin twaalfde eeuw een eenvoudige pijlerbasilika, waar men in de dertiende eeuw een westtoren aan toevoegde. De kerk had het rustig tot hongersnoden van 1317-19 de regio teisterden. Het gebouw schijnt in die tijd ook brandschade te hebben opgelopen. Volgens pastoor Frans Crutzen (in zijn boek ‘Klimmens kerk een topmonument’) is de kerk al eerder verbrand tijdens de Limburgse successie-oorlogen (1283-88). Hij zou dan rond 1325 weer zijn hersteld en zijn vlakke zoldering hebben verloren. Op oude foto’s ziet men laat-gotische kruisribgewelven uit 1330.

Cuypers in aantocht en in actie

Na wat geharrewar werd de invloed van Luik beperkt. Sinds 1839 behoort Klimmen tot het Koninkrijk der Nederlanden. De kerk werd van een nieuwe spits voorzien, die kort daarna (in 1846) weer werd gesloopt omdat die te zwaar was. In 1852 kwam de kerk in het bezit van fraaie kruiswegstaties, geschilderd door een zekere Goossens uit Meeswijk (België). In 1860 werd een nieuw hoofdaltaar geplaatst. Architect Jos Cuypers haalde in september 1904 de nieuw benoemde pastoor Vaessen over om deze kerk met zulk een oude geschiedenis eens grondig te gaan restaureren. In 1905 werden de eerste tekeningen gemaakt. Eind oktober 1906 besloot men de bestaande, maar bouwvallige gewelfconstructie in het schip te verwijderen. Dat kreeg toen zijn (nu aardig beschilderde) vlakke zoldering terug. Een bezoek van De Stuers en de oude Pierre Cuypers leidde bij beiden tot het inzicht dat de koorafsluiting rechthoekig moest zijn, hoewel men twijfelde aan de echtheid van de oude koormuur. Toch komt er in 1907 een ontwerp van Cuypers voor een vergroting van het koor en een halfronde koorsluiting. De Stuers was woedend en dreigde de staatssubsidie te blokkeren. De halfronde concha kwam er dankzij Jos Cuypers en zijn helper Stuyt toch. De subsidie kwam er ook en de kerk werd op Tweede Kerstdag 1907 plechtig her-ingewijd door de bisschop van Roermond. De inrichting liet nog even op zich wachten. Uiteindelijk liet iedereen, ook de bekende dr. Kalf (1973-1954), zich lovend uit over het restauratieproject.

De inventaris

De voet van het doopvont is – als eerder gezegd – 12e-eeuws. De zeskanten kuip van de preekstoel dateert uit de 17e eeuw. Er staat binnen ook nog een oud kerkuurwerk (meer interessant dan mooi). Het orgel van Peereboom en Leijzer uit Maastricht werd in 1858 aangekocht. Echt opvallend is het fraaie retabel in laat-gotische stijl. In het midden zien we de kruisiging verbeeld, op de zijluiken de kruisdraging en de kruisafneming. Op de buitenzijde de graflegging en de opstanding. De herkomst is onzeker, maar het wordt gedateerd omstreeks 1600. Het maakt wel een veel oudere indruk door de Jeroen Bosch-achtige figuurtjes die overal rondlopen. Het wordt een werk genoemd uit de omgeving van Lambert Lombard, de Meister des Marientodes of Jan van Scorel.

Conclusie

Feitelijk is de kerk een geheel modern product, maar wel in stijl. In de 90-er jaren van de vorige eeuw is het gebouw weer gerestaureerd. Bij ‘puur Romaans’ staat bovenaan dit artikel terecht een vraagteken. Toch heeft men, ondanks de wat rigoreuze Cuypers-restauratie, te doen met een unieke, sfeervolle (neo?) romaanse kerk. Pastoor Crutzen noemt het een topmonument en dat is het. Hopelijk wordt het retabel niet naar een plaatsje opzij gedirigeerd: het is een veel te mooie aandachtstrekker.

Gebruik is gemaakt van de twee zeer uitgebreide boeken van pastoor Frans Crutzen: ‘Klimmens kerk een topmonument’ en ‘Cuypers en Stuyt in Klimmen’ en het boekje van Charles Genders ‘Langs de oude Limburgse kerken (Zuid Limburg)’ blz. 35.

Een gedachte over “Puur Romaans?

  1. Beste Kerkengek,
    Onder het kopje Christendom staan enkele dingen die volgens mij niet kloppen. Uit Wikipedia: citaat
    Gerberga was een dochter van Hendrik de Vogelaar, uit het Saksische Huis en koning van het Oost-Frankische Rijk, en Mathilde van Ringelheim. Zij huwde in 928 met de ongeveer dertig jaar oudere Giselbert II. Dit was een politiek huwelijk dat diende om Giselberts trouw aan Hendrik, die net Lotharingen had verworven, te verzekeren. In 939 nam Giselbert deel aan een opstand tegen Gerberga’s broer Otto. Hij kwam in de slag bij Andernach om het leven. Na een huwelijk van tien jaar was Gerberga op haar vijfentwintigste weduwe.
    Kort voor haar dood schonk Gerberga haar bezittingen in het vlak bij Maastricht gelegen Meerssen aan de abdij van Saint-Remi in Reims. Uit deze bezittingen ontstond later de proosdij van Meerssen. Einde citaat.

    De schenking van Meerssen aan de abdij van Reims was in 968, De oorspronkelijke akte is verdwenen, de kopie van deze akte wordt echter betwijfeld door onze pastoor Crutzen.

    Met een vriendelijke groet, Jan Hendriks

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.